Schrijversdiner Ingmar Heytze 16-1-14

Dineren met dichters Ingmar Heytze en Peter Knipmeijer :

Binnen–  versus buitenstad

door Rosanna Del Negro @carbonpapier

Schrijversdiner Ingmar HeytzeAls nulste gang ligt er voor ieder gast een Scooterdagboek van Ingmar Heytze klaar. Het boekje is geschreven door Heytze toen hij met de Vespa de grenzen van Utrecht ging verkennen. Heytze is een stadsmens;  zijn reiscirkels ‘liggen als kringen in een vijver om de Domtoren heen.’ Deze januariavond is hij met een collega van de Utrechtse dichtersgilde Peter Knipmeijer naar de buitenste rand van de stad getrokken. Samen onderzoeken ze het leven in de binnen- en buitenstad, en waar je uiteindelijk neerstrijkt, middels de voordracht van hun gedichten.

De eerste gang is gebakken Utrechtse vockingworst met huisgemaakte piccalilly en kropsla

‘Leidsche Rijn, je wrijft erover en het glimt’: wat zijn de mogelijkheden voor poëzie in dit afgelegen stadsdeel? Dit was de vraag die Heytze zich stelde toen hij benaderd werd door vinexbewoonster Jacomien Nijhoff met het verzoek om een deel van zijn gedicht op de zijgevel van haar huis te schrijven. Zij wilde de regel “Houd moed, heb lief” op de muur laten schilderen om passanten een hart onder de riem te steken. Het aantal echtscheidingen is immers hoog. Het plan lijkt te werken. Geregeld krijgt Jacomien bedankbriefjes van onbekenden in de bus. Knipmeijer sluit hierop aan met het gedicht Slechte timing dat gaat over echtscheidingen.

Knipmeijer is opgegroeid in Amersfoort, een ‘dirty old town’, in een volksbuurt die grensde aan de dierentuin. Vanuit zijn huis kon hij de leeuwen een vreemd spinnend geluid horen maken. Hij woont nu in Zeist. Heytze woont al 25 jaar binnen de stadssingels. Hij groeide op in Tuindorp. Nu zijn gezin uitgebreid is met een dochter verhuist hij naar buiten de singels. Het zoeken naar een woning is een herkenbare gewoonte die moeilijk op te geven is, ook wanneer je iets gevonden hebt. Want de beslissing die je uiteindelijk neemt om ergens te gaan wonen is een combinatie van verstand, emotie en toeval. “Het overkomt je”, zegt Heytze. Zo overkomt het velen dat zij zich in de nieuwbouwwijk bevinden. In een huis dat onderhoudsvrij is maar ook in een omgeving die bepaalde facetten ontbeert. Knipmeijer leest een van zijn gedichten voor die gaat over het uitlaten van de Jack Russel. De partners hebben een discussie over wie het gaat doen ‘want geen van ons gunt het de ander thuis te blijven zonder hond.’ Bepaalde situaties zijn van alle wijken.

De tweede gang is in De Leckere bier gestoofde rundersukade met vijfschaft (aardappel, wortel, bruine bonen ui en appel)

Heytze vertelt over zijn verblijf van een paar maanden in het ‘gekkendorp’ in Bilthoven. Hij volgt daarin in Menno Wigman’s voetsporen. Het is een voorziening voor geestelijk gehandicapte personen die geheel zelfvoorzienend is. Er staat veel leeg. De ‘onrustige mannen en vrouwen’  hebben er een paviljoen waar ze riet vlechten. De omgeving is bijna pastoraal; rustig (tot vervelens toe) maar een paradijs voor een vogelliefhebber als Heytze.  Hij realiseert zich door het verblijf dat je terdege kunt beslissen om de stad uit te trekken. Maar terug binnen de vertrouwde singels wil hij daar blijven. In het museumkwartier is immers ook een ‘gekkenhuis’.

Wat kies je als woonplek? In wezen zijn er vier opties: de stad, de vinex, een dorp of er ergens tussenin. Wittevrouwen, de rosé wijk, heeft te kleine huizen. Houten is de vinex minus het pionieren. In Leidsche Rijn kun je jezelf ten minste nog de status van Nieuwbouw cowboys aanmeten. Heytze bespeurt een vechtersmentaliteit onder de bewoners van het stadsdeel. Je bent er als Leidsche Rijner bij vanaf het begin. Over dertig jaar is het hier Lunetten geworden.
Maar bepaalde momenten lijken hem moeilijk hier. Dat er geen kroegen zijn, geen boekhandels of een uitzicht. Juist dat er weinig onverwachts gebeurt zoals hij dat tegenkomt in de binnenstad, dat daar door het studentikoze leven het leven op straat je kan verrassen.”Ik zou bang zijn voor de nachten. Dat ik in de achtertuin sta en het gevoel me bekruipt dat ik naar huis wil maar dat ik er al ben.” De vraag is of dat gevoel van ontheemdheid je niet overal kan overkomen wanneer je op een plek woont die niet als eigen voelt, binnen of buiten de singels. Ontgroei je de binnenstad dan eigenlijk nooit? Praktisch en functioneel misschien wel, vindt Heytze maar voor de rest is het afhankelijk van je geestelijke leeftijd. Wie jong van geest blijft…  Knipmeijer leest een gedicht over de Amsterdamsestraatweg:  de stad is ‘een oude dame met een opgebroken hart.’

De afsluitende gang is een taartje van roomkaas en Utrechtse spritsen met gekarameliseerde appels uit Leidsche Rijn met anijs en kaneel

Comments are closed.